Andere afslagen zijn mogelijk

Een eerste essay over systeemdenken, over prehistorie huidige maatschappelijke en politieke problematieken en het narratief dat ontbreekt om echt tot oplossingen te komen!

Andere afslagen zijn mogelijk

1. Het haakje: twee manieren om het verleden te misbruiken

In 1843 van the Economist las ik het artikel How Graham Hancock became conspiracy theorists' favourite historian over Graham Hancock en zijn documentaire op Netflix over een glorieus verleden zo'n 13.000 jaar geleden dat ruim 12.000 jaar geleden ten val kwam. Een verhaal over het zogenaamde Atlantis en de wijzen die dit voortbracht, die grootse ruïnes achterlieten die ons nu nog verbazen. Het is een geschiedbeschrijving die velen aanspreekt: groots en meeslepend, een verloren paradijs en wij als nazaten van deze beschaving. Helaas wordt het door echte wetenschap niet ondersteund. Hancock zegt het zelf in het artikel, bijna per ongeluk: er is geen bewijs in wat archeologen hebben bestudeerd. Dat is een klassieke epistemische valkuil — de theorie is zo geformuleerd dat elk ontbrekend bewijs bewijs wordt voor een doofpot. Archeologen vinden niets? Dan hebben ze niet goed genoeg gezocht, of ze verbloemen het. Dit mechanisme maakt de theorie immuun voor weerlegging. Ze is niet falsifieerbaar in de Popperiaanse zin. Dat is geen bewijs dat de theorie klopt, maar het beschermt haar tegen de normale corrigerende werking van de wetenschap.

Hancock mystificeert het verleden. David Wengrow en David Graeber doen in Het Begin van Alles het tegenovergestelde — zij emanciperen het. Maar het brede publiek bereikt geen van beiden. Hancock wint op toegankelijkheid, Wengrow en Graeber op grondigheid. En intussen blijft de politiek steken in een derde en gevaarlijkere misbruik van het verleden: extreem-rechts schotelt een glorieus verleden voor uit de jaren '50, terwijl die jaren '50 voor menigeen nog steeds een ellendige tijd was, met armoede, honger en onderdrukking. Hoezo glorieus? Ja, als je een witte volwassen man was, misschien.

Dit essay is een poging om het anders te doen: het verleden gebruiken als arsenaal van mogelijkheden, niet als mythe en niet als nostalgie.


2. Het echte probleem: we denken in losse stukken

We leven in een tijd van grootse uitdagingen die nagenoeg onoplosbaar beginnen te lijken voor moderne samenlevingen. Als ik het nieuws lees over betaalbaarheid en daarmee toenemende armoede, dan lijkt dat een op zichzelfstaand probleem te zijn. Idem geldt voor de woningcrisis. Of neem de klimaatverandering en redelijk specifiek voor Nederland: stikstofproblematiek, PFAS, vergiftiging van de landbouwgronden, toename van slopende ziektes als diabetes, kanker, Parkinson en dementie.

Het probleem is niet de individuele problemen. Het probleem is dat we denken in individuele problemen.

Neem glyfosaat en Parkinson: de relatie is inmiddels sterker dan "niet aangetoond." Er is consistent epidemiologisch bewijs uit agrarische gemeenschappen in Frankrijk, de VS en Latijns-Amerika. Het IARC classificeerde glyfosaat in 2015 als "waarschijnlijk kankerverwekkend." De tegenstudie van EFSA die het vrijpleitte was deels gebaseerd op Monsanto-eigen data — dat is inmiddels juridisch boven water gekomen via de Monsanto Papers. Nederland is in dit opzicht een bijzonder schrijnend geval: één van de hoogste pesticidengebruiken per hectare in Europa, én een extreem dichte bebouwing die landbouw en woongebied door elkaar mengt. De PFAS-vervuiling via Chemours in Dordrecht is inmiddels onomstotelijk. Dat de politiek hier zo traag op reageert heeft ook een governance-verklaring: de landbouwlobby is structureel sterker vertegenwoordigd in Den Haag dan de volksgezondheidsbelangen van omwonenden.

Maar kijk wat er gebeurt als je de problemen samenhangt in plaats van fragmenteert. Betaalbaarheid en woningnood kan je groeperen, net als klimaat en vervuiling. En met de huidige geopolitiek kan je die twee overkoepelende thema's weer combineren: met de stijging van de olieprijs is een klimaatmaatregel van duurzame energie ineens een bijdrage aan verlaging van de kosten voor energie en dus aan bestrijding van armoede. En passant levert het meer autonomie op. Plotseling zijn vier problemen één opgave.

Die samenhang wordt echter niet gemaakt. De individuele problemen worden niet opgelost, en dat leidt tot wantrouwen in de politiek. Populistische en extremistische partijen bieden vervolgens schijnoplossingen door de schuld aan buitenlanders en politieke tegenstanders te geven — versterkt door sociale media die als megafoon werken voor extreme visies. Een gelikt verhaal dat aanspreekt en een diep verlangen naar een paradijselijk verleden aanboort, blijft goed hangen. Geen duurzaam model.


3. Het verleden als arsenaal

Maar terwijl de politiek vastloopt in losse problemen en het verleden wordt misbruikt als nostalgie, doet de echte wetenschap iets ontwrichtends: ze ontdekt dat het verleden zelf veel radicaler was dan we dachten.

Zo is er het verhaal van Göbekli Tepe, ontdekt in 1994 door Klaus Schmidt: mensen zonder landbouw bouwden 12.000 jaar geleden een megalithisch complex, met grote gebouwen en beeldhouwwerken, en begroeven het daarna zorgvuldig zelf. Waarom? Dat weten we niet. Ik las er voor het eerst zo'n twee à drie jaar geleden over, omdat het pas in 2015-2018 de archeologische niche ontsteg via podcasts en YouTube — en ironisch genoeg via Hancock zelf, die er uitgebreid over schrijft. De wetenschap deed de ontdekking. De alternatieve scene deed de popularisering. Dat is een structureel falen.

Wengrow en Graeber knopen Göbekli Tepe met een hele reeks fascinerende voorbeelden aaneen in Het Begin van Alles. Twee lessen zijn daarin cruciaal. Ten eerste: er waren altijd andere afslagen mogelijk. De lineaire geschiedenis van jager-verzamelaar naar stadstaatje naar imperium naar complexe bureaucratie is niet zo lineair. Ten tweede: vroege menselijke samenlevingen waren veel experimenteler en politiek bewuster dan het standaardverhaal suggereert.

Het beste voorbeeld is Teotihuacan. De stad had op haar hoogtepunt (100-550 na Chr.) zo'n 100.000 tot 200.000 inwoners — vergelijkbaar met het toenmalige Rome. Bijzonder is dat er geen identificeerbare koningsgraven zijn, geen monumentale verheerlijking van individuele heersers zoals bij de Maya's. De kunst is grotendeels collectief en kosmologisch van aard. Er was aanvankelijk waarschijnlijk een centrale macht van een soort adel of priesterklasse. Die verdween, vermoedelijk via een opstand. Waarna een coöperatief bottom-up model voor haar in de plaats kwam.

Wat volgde is indrukwekkend. De zogenaamde apartment compounds — woonblokken voor uitgebreide familiegroepen — werden rond 300 na Chr. plotseling groter, beter gebouwd, voorzien van drainage en binnenplaatsen. Archeologe Linda Manzanilla heeft aangetoond dat deze complexen relatief autonome economische en religieuze eenheden waren. Geen top-down toewijzing, maar georganiseerde zelfbeschikking binnen een stedelijk kader. De stad trok mensen vanuit de omgeving aan, mensen met verschillende culturele achtergronden die allemaal gehuisvest werden in woningen die voldeden aan de laatste hygiënische standaarden. Men trok zich blijkbaar niets aan van zogenaamde economische wetten of vrije markt bij het bouwen van deze wooncomplexen.

De stad leek te functioneren via gedistribueerde governance — meerdere machtscentra, religieuze, economische en politieke functies niet geconcentreerd in één persoon of instituut. Of dat een bewuste politieke keuze was of een emergent systeem, weten we niet. Maar het werkte, lang.


4. Constitutionele verbeelding

Een aanpak als in Teotihuacan loslaten op onze huidige maatschappij vraagt constitutionele flexibiliteit. We zouden politiek anders kunnen inrichten om de scheiding tussen politieke bloedgroepen te doorbreken.

Hiervoor is de Great Law of Peace van de Haudenosaunee interessant om een specifieke reden: het heeft een ingebouwd mechanisme voor herziening én een expliciet principe van zevende-generatiedenken — beslissingen worden getoetst aan hun effect zeven generaties vooruit. Dat is structureel het tegenovergestelde van de electorale cyclus van vier jaar die elke politicus dwingt tot kortetermijndenken.

De electorale cyclus in de Westerse Democratie versus Zevende-generatiedenken bij de Haudenosaunee

IJsland heeft na 2008 een poging gedaan tot constitutionele herziening via een burgerberaad — crowdsourcing van de grondwet, letterlijk. Het proces was fascinerend, het resultaat werd door het parlement tegengehouden. Maar het bewees dat het kon. Helaas dat bestaande machtsstructuren deze aanpassing tegenhielden omdat het inging tegen hun persoonlijke belangen.

In Nederland lopen nu hier en daar experimenten met burgerberaden, zoals het Klimaatburgerberaad. De kritiek is altijd: ze zijn niet bindend. Dat klopt — zolang de constitutionele structuur zelf niet verandert, blijven het adviezen. Maar er is een andere kritiek die pertinent onjuist is: dat burgerberaden niet democratisch zouden zijn. We hebben een compleet verkeerd beeld van wat democratie is.

In het oude Athene waren er verkiezingen. Maar die werden als het minst democratisch beschouwd — omdat populariteit bepaalde wie er won. De echte democratie zat in de loting van de volksvergadering. Elke vrije mannelijke burger van Athene kon voor één jaar geloot worden om mee te besturen. Dit voorkwam dat populisten ongelimiteerde macht kregen. Exact wat we nu zien in westerse democratieën: populisten die hun te mooie verhalen het beste weten te verspreiden via algoritmes, scoren goed. Dat ze daarbij oproepen tot het omverwerpen van de democratie, nemen velen op de koop toe — omdat het huidige systeem de problemen niet oplost.

Pippa Norris en Ronald Inglehart hebben in Cultural Backlash (2019) laten zien dat populistisch autoritarisme niet primair voortkomt uit economische angst alleen, maar uit een combinatie van materiële onzekerheid én het gevoel dat de gevestigde politiek structureel niet luistert. Van betaalbaarheid en woningnood via klimaat en vervuiling naar wantrouwen naar radicalisering. Dat is geen speculatie. Het is een aantoonbaar patroon.


5. Het narratief dat ontbreekt — en dat hier begint

De radicale partijen bieden non-oplossingen — schuldigen aanwijzen in plaats van structuren veranderen. Maar ze winnen omdat ze wél een narratief hebben. Een samenhangend, emotioneel bevredigend verhaal over waarom het misgaat en wie er schuld aan heeft. Hoe primitief ook.

Het centrum heeft geen verhaal meer. Het heeft beleidsnota's.

En dat terwijl er een narratief mogelijk is dat verbindt en appelleert aan de wens dat het anders moet. Laten we dan een narratief bouwen dat op conservatieve ideeën gefundeerd is — alleen iets conservatiever dan de niet-bestaande glorieuze jaren '50, maar Teotihuacan in de jaren 500 na Christus. En iets minder Eurocentrisch, maar meer Haudenosaunee voor constitutionele flexibiliteit. Een narratief dat de problemen samenhangt in plaats van fragmenteert, historische voorbeelden gebruikt van anders-organiseren, niet moraliserend is maar pragmatisch, en mensen agency geeft in plaats van schuld.

Dat is precies wat Hancock doet — alleen dan voor het verleden. Hij zegt: er was een andere wereld mogelijk, en die is weggevaagd. Dat resoneert. De politieke vertaling zou zijn: er waren andere afslagen mogelijk, en die zijn nog steeds mogelijk. Graeber en Wengrow zeggen dat ook, maar te academisch om breed te landen.

Dit essay is een eerste stap om dat te veranderen. Er zullen hierna nog minstens 5 essays volgen om bovenstaande nader te verkennen en het narratief te bouwen.